18+ met een beperking

mijn ervaring
Fatima

'Ik ben zijn ogen, zijn hoofd, zijn handen'

Mijn zoon Mohammed is 15 en hij heeft van alles en nog wat. Hij is zwaar autistisch, heeft een verstandelijke beperking en gedragsproblemen. Mohammed is de jongste van mijn vijf kinderen. Hij krijgt alle aandacht, van ons allemaal, zijn broers zijn vader, iedereen. Hij staat centraal. Dat is goed, maar eigenlijk ook weer niet. Want hij wordt verwend. Maar hij is gelukkig, hij komt niks tekort. Hij is een blij kind.

Mohammed kan niet praten. Hij zit op het niveau van een 2-jarig kind. Maar wij begrijpen elkaar wel. Vroeger ging dat moeilijk, maar nu begrijpt hij wat woorden. En wij praten op een andere manier, met gebaren, foto's en plaatjes. Hij begrijpt mij en ik hem. Ik ben zijn ogen, zijn hoofd, zijn handen.

Hij gaat vijf dagen in de week naar een kinderdagcentrum. Dat is heerlijk. Het is mijn kind, maar het is fijn om een paar uur voor mezelf te hebben. Voor hem is het ook goed. Hij blijft daar tot zijn 18e.

de toekomst

Dat hij ouder wordt vind ik best eng. Straks is hij 18. Hoe zal het dan verder gaan met hem? Ik maak me daar zorgen om en probeer nu al uit te zoeken waar hij terecht kan. Het moet een plek zijn waar hij zich fijn voelt en waar zijn vader en ik vertrouwen in hebben.

Mohammed is de jongste, dus zijn broers kennen hem door en door. We kijken niet te ver naar de toekomst, we wachten het af. We hebben vertrouwen in de mensen die hem helpen. Zij weten echt wel wat ze doen. Wij doen ons best en zij ook. Het komt goed.

Ik heb geen idee wat er in de toekomst zal gebeuren. Hij blijft zich langzaam ontwikkelen. Misschien kan hij later wel werken. Op de KDC zijn ze daar met hem ook mee bezig. Wat vindt hij leuk, wat kan hij? Hij leert al dingetjes. In de keuken kan hij goed snijden en opruimen. Van rommel houdt hij niet. Misschien wordt hij wel kok.

Steeds gespannen

Mijn kind is een schat, maar hij is ook koppig. Hij is groot en sterk. Soms ook agressief. Ik train om zelf sterker te blijven, zodat ik hem aan kan. Ik til zware dingen, iedere dag, om sterker te worden. Ik moet sterk blijven, ik moet dit ik moet dat. Alles voor hem. Maar waar ben ik dan?

Gelukkig doen we het samen. Zijn vader, zijn broers en ik. We wisselen elkaar af als Mohammed thuis is. Want als je alleen bent met hem dan heb je geen moment rust, je bent steeds aan het opletten. Je bent steeds gespannen. Soms loop ik dan weg. Dat kan ook bij ons, maar niet in alle gezinnen.

We willen geen van allen dat Mohammed uit huis gaat. Maar we kunnen ook niet heel lang wachten. Ooit komt er een tijd dat wij het niet meer kunnen. Als hij te veel gewend raakt aan ons, dan kan hij nooit meer zonder ons. Als hij 20 is dan kan hij nog ergens anders wennen, maar we kunnen niet wachten tot hij 40 is. Hoe erg we het ook vinden.